Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volkskinderen in zwarte mouw-schorten, het haarkwastje steil uit het kleurige lint-strikje boven op het hoofd, en daarnaast een paar in witte jurken, de rozig-blanke gezichtjes vol-rond binnen de geborduurde witte baby-hoeden.

De bankjes waren zóó laag, dat ze zaten met hooge knietjes, die schuin uitstonden en een schootje maakten; gedwee groeven de rustende handjes daarin een kuil, of die wapperden eensklaps uit en vooruit in een lief gebaar van ongeduld en verlangen.

Daar achter, op de hoogere banken, zaten hier en daar nog een groepje kinderen en de volwassenen met wie ze uit waren; als de harmonica-man zijn aan-en-uit-zwellend deuntje begon, kwamen er nog meerderen binnen en verdichtte zich de kring van kijkers langs het touw.

Célestin, met een zachte belangstelling, stond het aan te zien; hij had zijn breed postuur geschoven tusschen een paar straatjongens in, en wachtte tot het spel begon.

Een schrijnende weemoed lag nog zwaar als een bezinksel in hem, maar zoetjes-aan vlotten zijn gedachten heen naar het lieve, dat daar nu voor zijn oogen was; hij zag de kinder-profieltjes met de vage wip-neusjes en de open mondjes, onzeker belijnd in het laag-bolle der onderwangen; hij zag de oogen, twee tintelingen van vreugde of twee blinkende dwarrelingetjes van nieuwsgierigheid, twee stille effenheden van lief zoet-willen-zijn of twee donkere dieptetjes van een ongeweten vraag; hij zag de kinderkleêren en het bewegen der lichaampjes daarin, de pijtjes der zwarte jongens-mors-schorten, vermommingen van lenige blankte en spartelende speelschheid, — de korte, wijd-geplooide meisjesjurken als vlinderachtigheden om de schriele kouse-

Sluiten