Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar zeker naderbij-komenden dag, zijn vadsige grijparmen uitstrekken zou, onverwachts en onontkoombaar. En was hij er heen, naar zijn „Saargemünd," dan werd haar die samenklittende smousentroep, die klam nu om hem heen zou „schmeichlen," een ondraaglijke obsessie. Er waren daar ongetrouwde nichten bij, blonde, eeuwig-glimlachende jodinnen stelde zij zich voor — het was zoo maar een vaststaand gedachte-beeld, grootendeels ook de herinnering aan een plaatje naar de mode van het jaair '50, uit een ouden roman van Herz — jodinnen, zwaar in haar melk-bleek vleesch, met groote ronde blauwe oogen en dikke vlechten om het hoofd gelegd; in wijd-uitstaande, witte mousselinen jurken met veel kleine strookjes zouden die gekleed gaan, als heel jonge meisjes; en in den laag-ontblooten hals hing een medaillonhartje aan een hemelsblauw lint, dat met lange „suivez-moi's" over den rug wapperde...

Zij sprak nooit over dat alles; elf maanden van 't jaar werd het haar hoe langer hoe meer een dwaze onwerkelijkheid, maar iederen herfst was het een nieuwe benauwenis: „met het vallen van de blaaren!" zei ze bij zichzelf, in een behoefte, er een tragischen glimp aan te geven. Want wat was 't toch, dat al die folterende dwang-gedachten haar altijd weer aanknaagden en soms geheel vermeesterden? Zij wist nu ten slotte toch beter, en was het ook eigenlijk niet leelijk van haar tegenover dien goeien, eerlijken Herz...? Zelfs midden in haar obsessies, als 't haar voor enkele minuten gelukte, tot haar koele verstand in te keeren, kwam ze tot het helderst bewustzijn, dat het alles maar een kwade waan was. Doch zij moest er weer niet te strak aan denken, van buiten af; ongemerkt verwarde

Sluiten