Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreemd voor een man, die zijn halve leven tusschen de wielen zat, en die hij dan ook bij geen van zijn andere tochten aan den dag lei, overprikkelde haar en maakte haar nog ongelukkiger dan ze al was.

Doodmoe, het hoofd blakend van al het troebele denken, zat ze wat losstaande knoopen aan te naaien, stopte kleine slijtages bij... Herz zou tenminste met een koffertje goed, waar niets op aan te merken viel, daarginder komen... en onderwijl worstelden haar gedachten voort en wielden en wentelden maar al om die reis en het leven van Herz en haar.

Dan, langzamerhand, in den berustigenden dwang van het aandachtige werk, deinden ze wat kalmeT uit, vergleden eindelijk in een stil gemijmer over veel van vroeger en thans.

Zij dacht aan de tien lange jaren, die zij nu bij elkaar waren geweest, kort eerst in de Rue Dauphine en de Rue des St. Pères, en dan hier, in de Rue Barral, — jaren, waarin zij het altijd samen hadden kunnen vinden, beter dan honderd getrouwde paren. Dat was de innerlijke gerustheid van haar leven... Maar nu, op zoo'n topzwaaroogenblik, werd dat alles zoo wankel en onwerkelijk en heel het theorieën-bouwsel van haar warm hoofd, over de vrijwillige trouw en het vrije huwelijk, leek haar een ijlheid die geen houvast gaf...

Zij dacht ook aan den triesten staat, waarin zij Herz had leeren kennen... een scharrelig makelaartje, naïef en onhandig, met een hart als een kind, voor drie kwart al verloren in den draaikolk van Parijs... en zij, acht jaar al weduwe, drijvend alleen de hoedenzaak van haar overleden ouders, een sterke vrouw van vier-en-dertig, niet mooi, maar wel knap ondanks haar been-gebrek, met een fikschen kop, die het leven aandorst en met een stel van vrije

Sluiten