Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achter de toonbank wachtte de bezending harde, grof kastoren steken van kemelshaar en wol, het voorgeschreven hoofddeksel der Frères des Ecoles chrétiennes; als een wit-geringde toren van Pisa helde tegen den zijkant van het toogje een stapel omvloeide missionaris-flambardjes, bolletje van vloei over bolletje van vilt; en op het toonbankblad, als zeldzaamheden, pronkten de drie bisschopshoeden die ze ieder jaar weer bijbestelde, de kostbare hoeden van het fijnst-zijige kastoor met hun violet-satijnen voering en rond den bol hun koord en afhangende kwasten van groene zijde en goud.

Dan was nog niet uitgepakt heel het doozenbouwsel in den hoek bij den schoorsteen, de civiele dopjes en sequah-hoeden... voor als de heeren 't er eens van namen; ze kochten die dan ook bij voorkeur niet in een gewonen winkel...

En naast den pas-spiegel verdrongen zich de doozen met kruinkapjes en koormutsen; de kleine tonsuurtjes van laken of zijde of fluweel, al naar den smaak; en de vierkante „barettes" van merinos of zijde-over-karton, platgevouwen en zoo bij twee stijve rijen saamgedrongen in een doos, de reeks glanzend-peluchen pluimen op uit de boogjes-reeksen der kammen; ze waren met vier kammen alle; die met drie sloeg ze niet meer in, want niemand maalde er om: de eerste de beste seminarist of kerkzanger kwam zijn „barette a quatre cornes" koopen, of hij doctor was in de theologie; dat scheen te mogen. Uit een afzonderlijk kistje achter tegen den muur gloeide even het scharlaken laken van de kleine baretten en kruinkapjes der koorknapen.

Op den schoorsteenmantel eindelijk, als in een étalage-pyramide op elkaar gezet, prijkten de kanunnikenmutsen, zwart met roode boordsels en rooden

Sluiten