Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— „Sapristi," zei de waard; en hij deed nog andere relazen van knappe drinkebroers-stukken, die hij pas beleefd had.

Tegen tweeën stonden zij op. Louis, die het laatste half uur een rij van zoete tukjes had gedaan, was weer tamelijk normaal geworden; hij klaagde alleen over de warmte van het weer, bepaald warm, vonden zij niet? lóóm, of het Augustus was... hij liep een weinig slap-lendig met bedachtzame sjok-passen; de twee anderen stapten ook wel een beetje met stramme beenen, maar ze hielden zich puik, en gemoedelijk finkelden zij de Rue de Bréa af.

Legüenne, uit heerigheid, zei niet veel op straat; ze hadden Louis voorzichtigheidshalve tusschen zich in genomen en als drie ordentelijke kornuiten gingen zij nog met vasten koers voor de vrouwen uit den weg, die langs kwamen.

Dan, op den Boulevard Raspail, liepen zij opeens Carpentier tegen het lijf. Die was voor Hortense bloemen gaan brengen naar Montparnasse.

— „Hé, Emile.„bonjour Carpentier," riepen de drie. Er werden handen geschud en er was weer groot vertoon van hartelijkheid.

Carpentier, in zijn zwaar-lakensche gekleede jas, had 't snikheet, want de namiddagzon, tusschen vlagen van guur-uitschietenden wind, stak broeierig, of er weer regen zou komen; hij schoof zijn hoogbolligen dop wat naar achteren; een diepe paarsige deuk kwam bloot en daarboven een reep glimmendroode zweet-uitslag.

— „Rafraichissons-nous," zei Legüenne. En hij troonde ze alle drie mee, een paar huizen terug, naar het café op den hoek van den Boulevard Montparnasse.

Carpentier aarzelde even; maar Legüenne en

Sluiten