Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Pichard maalde;... „diep onder den grond... ver van zijn vrienden... op een kerkhof achter de vestingwerken. .

Langs het raam kwamen twee mannen, die een grooten krans van roode en witte bloemen tusschen zich in droegen. De helle opkleuring van dien bloemkrans woei Carpentier op eens in 't vage kijkgelodder en als Louis nog voortdreinde, zei hij met een suffen dronkemans-broddel:

— „Portons-lui une couronne..."

— „Oui... oui..." kermde Louis, „portons-lui une couronne..

En Carpentier, klaar wakker geschoten, riep plotseseling met een woest enthousiasme:

— „Une couronne pour Jean Pichard!"

Toen sloeg het Legüenne ook als een dollemansslag door zijn zotten kop: dat was pas om lol te hebben!... godvergeefme wat een inval!... ze gingen met 'r vieren een krans brengen... dat was een verdomd goeie mop!

Hij gaf Carpentier een pats op den schouder, dat die waggelde en tegen de tafel terecht kwam.

— „En route!" commandeerde hij.

Zij tastten naar hun beurzen, scharrelden met de geldstukken om te betalen... dat duurde een heelen tijd.

Legüenne en Bonneau voelden nu ook weer hun verantwoordelijkheid van kranige zwierbollen te zijn, voor geen zes litertjes wijn vervaard. Zij schudden hun koppen, draaiden hun knevels op, zetten zich in postuur...

Zij liepen wat stijf, maar zoo recht als kameraden, die den ganschen dag nog niet anders dan rijstepap over de tong hebben gehad. Bonneau nam Carpentier onder zijn hoede, Legüenne kwam met Louis

Sluiten