Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar, voor het café'tje Reluquard, stond de kreupele kastelein op den uitkijk aan de deur van zijn landelijke veranda. Zoodra hij de vrinden in het oog kreeg, ging hij, al strompelend, bij het hoektafeltje met z'n twee stoelen er nog twee zetten van het tafeltje ernaast, nadrukkelijk kletterend met het ijzer op de steenen.

— Hoor eens, een ongelukkige kon je niks weigeren, verklaarde edelmoedig Legüenne en ze hielden halt. De kastelein pinkte eens fijntjes met zijn snaaksche oogen en hinkte naar binnen om een litertje van zijn lekkersten wijn te halen.

De vier, wat moeizaam, werkten hun stramme beenen onder het groene tafelblad. De krans, waarvan het papier onderweg was kwijtgeraakt, kwam in de buiten-vensterbank te staan. Tusschen het gedeukte dopje van Carpentier en Legüenne's hoogen stroobol piepte het pensée-guirlandetje en het sneeuwwitte „au revoir."

..Au revoir!" giechelden een paar schuine zusjes,

die langs gingen; zij wuifden met de hand achterom en lachten zich bijna een ongeluk. Toen werd Legüenne weer boos en zette den krans op den grond.

Doch de wijn van Reluquard was een zacht en onschuldig wijntje, dat aangename gedachten gaf. Carpentier werd er zoo lustig van dat hij, ellebogen op tafel, loszinnige verhalen begon op te disschen, en Louis en Robert, samen, zaten zachtjes te zingen van „Malbrou s'en va-t-en guerre"...

Alleen Legüenne bewaarde het decorum, zooals hij telkens zelf zei; de duimen in de oksels van zijn vest, de beènen rechtuit gestrekt en de borst in de hoogte, zat hij achterover in zijn stoel, met de deftigheid van een gepensionneerd militair.

Sluiten