Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als ze wegreden en Legüenne en Bonneau armïn-arm de Place d'Italie weer opzwalkten voor hun diner en nog een langen avondtocht, hing Carpentier met wanhopige gebaren uit het portier-raampje te hulproepen of hij ontvoerd werd; Louis lag slap in den hoek gezakt en kniesde over Jean Pichard...

Toen zij, beiden vast in slaap, voor „Ie cent-dix-huit" stil hielden, stond Hortense, in duizend angsten, aan de deur op den uitkijk. Van drie uur af had ze op Carpentier gewacht, om zelf uit te gaan; later, na zevenen, had ze het avondeten warm gehouden; noch de man, noch de kostganger verscheen; woedend was ze alleen gaan zitten eten; had het overschot voor Ninouche gezet; toen was haar de onrust over een mogelijk ongeluk bekropen... ze stond al op het punt, haar zoon te gaan halen.

Met één blik, bij den lantarenschijn, in het schemerig rijtuig, had zij begrepen. Samen met den koetsier sjorde zij haar man de portieropening uit.

Carpentier, de leêge portemonnaie nog in zijn hand, speelde zijn dronkemanscomedie voort, stotterde van „rièn, rièn..." — maar plotseling bang voor Hortense's nijdige oogen, begon hij huilerig zich te verweren: „Legüenne... ce saligaud de Legüenne..."

Als er menschen de trap afkwamen, duwde ze hem hardhandig naar binnen en achter het groensaaien bedgordijn, waar ze hem mat kleêren en al in de kussens zeulde; alleen zijn laarzen trok ze uit.

Ze ging weer naar buiten om den koetsier te betalen en aan Antoine, den concierge van „le 120," te vragen, of die zich over Louis ontfermen wou. Haar bewegingen waren kort en beslist van de heftig-willende gedachte: de Legüenne's zouden het huis uit.

Sluiten