Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaatsje beneden zag, zei die nog zoo een woordje bij wijze van troost. Gabrielle, met een vaag verwijtend gebaar, wees naar den koperrossen en groen-zwarten haan, zoo nieuw blinkend tusschen haar ver havende kippen:

,,Oh! quel dommage... quel dommage...", klaagde zij tragisch, terwijl over haar kwijnendbleeken mond een dubbelzinnig lachje zweemde j en den ganschen namiddag zat zij bij Hortense in de loge, als een levende aanklacht tegen de wreedheid van het huis, haar starende oogen vol meêlij-inroepende melancholie, maar met telkens, even, als een verglijdenden glimp, dat lachje, een mengeling van wellustigheid en zelfbeklag.

's Avonds kwam de melkvrouw en slachtte den haan, in het sousterrain-gangetje, waar madame Legüenne haar met een kaars bijlichtte.

Juist als zij hem den stopnaald door het kleine hersenholletje boorde, had hij één vlerk losgewerkt en sloeg daar nog, in een zotte stuiptrekking, tweemaal mee de lucht door, wat de vrouwen bizonder deed lachen.

Dan zette madame Legüenne de kaars op den grond en met de lage flakkerlichten en de groote bevende schaduwen door hun handen, zaten zij, op de hurken, ieder aan een kant het dier te plukken.

En al naar méér van het blauwig-gele kippevel bij plekken tusschen de donkere veêren bloot kwam, geraakte de melkvrouw in grootere geestdrift: wat een haan... sapristi... wat een malschheden!... een vleeschje als van een kuikentje zoo teêr... en vet!... ze kon er wel twaalf menschen op ten eten vragen.

Er kwam een emmer vol veêren af, en de melkvrouw gaf daar nog een ons puike braadboter voor, boven haar moeite van het slachten.

Sluiten