Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had opgewacht, boven kwam, was het kamertje donker in den schemer-nacht.

Jozette was er niet.

Zij begrepen het aanstonds, beiden, zoodra zij de deur achter zich gesloten hadden en in de kleine ruimte stonden, wijder leeg schijnend en beklemmend enger tegelijk door den adem van vreemdheid, die er om alles hing...

„Ze zal nog uit zijn..." poogde Célestin te zeggen, maar de woorden hortten hem in de keel. Een angst verworgde hem; hij kratste een lucifer, die brak; een nieuwe morrelde hij uit het doosje,' schraapte hem aan; bij het lang spartelende giftigblauwe vlammetje, waarvan de zure sulfer-stank tegen zijn verhemelte sloeg, leek hem de heete duisternis een hel.

Aristide stond verwezen toe te kijken, hoe de ander de kaars op den schoorsteen aanstak. Maar vóór nog de vlam vol werd en omhoog puntte, was Célestin op het gordijn toegeschoten, rukte het open, zag de ledige plek, waar de bruine koffer had gestaan.

„Haar koffer is weg..." stikte zijn stem.

Aristide, op de rustbank neergevallen, wierp zich, het gezicht naar den muur, voorover in de kussens en begon zenuwachtig te snikken.

Célestin pakte den kandelaar van den schoorsteen en in een krankzinnige jacht speurde hij daarmee het kamertje door, trok kasten en laden open... Jozette! Jozette!... zijn oogen vol vereering hadden zoo altijd elk harer bewegingen geliefkoosd, elk ding, dat van haar was kende hij, en hij wist waar zij alles borg... achter op het eiken kastje, haar nagelvijltje, was weg... uit het lage bovenste laadje, weg de paars fluweelen doos, waaruit hij haar zoo

Sluiten