Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had, nu doorvlijmde hem de schennis als een ombrenging van haarzelve.

— „Zij heeft het met haar hoedspeld gedaan, die eene, die net een dolk is," zei hij in een plotselinge luciditeit.

Aristide's oogen, zwartig brandend diep-in, waren raadselen van schrik en beleedigdheid en verluchting. Hij zenuwlachte schamper...

Een nieuwe vlaag van woede kwam in Célestin opgelaaid. Toen, eensklaps, had hij een inval, hij kinkte den aarden kandelaar op het schoorsteenmarmer en liep het kamertje uit naar beneden.

— Ja, zei madame Carpentier nieuwsgierig, — Mademoiselle had de boodschap gelaten, dat zij voor een week uit de stad ging. Om half vier was zij met een handtaschje weggegaan: over een uur, was haar zeggen geweest, zou er iemand om haar koffer komen, die al op 't portaal stond...

— „En wie is er gekomen... wat voor een man?" ondervroeg gejaagd Célestin.

Madame Carpentier's gezicht was één gespannen belustheid; zij rook en tastte de catastroof...

— „Wist u niet, dat zij weg zou gaan? Ah! mon Dieu!" zei ze.

— Maar zij had gelukkig den man gesproken en uitgehoord, vertelde zij verder; het was een commissionnair van een bestel-kantoor uit de Rue Louvois... hij moest zijn vracht naar de Gare St. Lazare brengen; hij had een briefje bij zich, dat hem de koffer moest meegegeven worden.

— „La Gare St. Lazare..." zei Célestin.

Hij dacht er zelfs niet aan iets te zeggen, dat voor Jozette of Aristide den schijn nog kon redden. In één vaart stormde hij weer naar boven.

Aristide zat midden in het kamertje op een stoel;

Sluiten