Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang-smalle, omhoekende, hel wit-en-gouden ruimte stond, zag hij, dat er op de roodfluweelen banken niemand zat dan een oud heertje met wat kranten naast zich, en twee opgeschikte vrouwen, die hier zeer gemeenzaam schenen en een luid gesprek voerden met de patronne, tronend achter den hoogen lessenaar; de gargon hing grinnikend tegen een deurpost.

Zonder een woord liep Célestin het café weer uit. Buiten beving hem de wijde hopeloosheid van zijn zoeken... Waar moest hij heengaan... overal gaapten de zwarte straten en allen leidden weer naar kruispunten, vanwaar hij velerlei zwarte straten in kon slaan... waarheen? waarheen? Parijs was zoo eindeloos groot, in geen lange dagen aan dagen te doorloopen, honderden, honderden, honderden straten met vele duizenden van huizen... wat wou hij daar alleen in beginnen...?

Opeens viel hem weer in: dat lang geleden verhaal van haar over dien avond in het Bal Bullier... Daar was zij natuurlijk niet, zoo vlak bij huis... maar zij kon naar den Moulin Rouge gegaan zijn, of naar den Moulin de la Galette, of naar de Quatz'-Arts... Ja, daar ergens moest hij haar vinden!

Maar toen hij de Rue Blanche omhoogklom, begon hem opnieuw de vraag te kwellen, wat het zou geven of hij haar al weeromzag... naar Aristide kreeg hij haar niet terug, en bah nee, Aristide... Aristide was haar ook niet waard... Had Aristide niet gezegd?... Maar wat dan?... ze zou ook niet willen, dat hijzelf iets voor haar deed... o, waarom had hij zijn gevoel niet weten te bedwingen, dien middag... egoïst, dat hij was; hij had toch nog het meest aan zichzelf gedacht... en nou nog, nou dacht hij nóg, dat hij haar later misschien had

Sluiten