Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het werk, bibberend of het een vriesnacht was.

Madame Lourty, in die uren, herzag heel haar voorgaande leven in den feilen schijn van deze ontzettende gebeurtenis; haar jaren-lang altijd weer vertrouwen op een toekomst, die beter zou zijn, altijd hopen, altijd moed houden, heel haar naïeve leven van liefhebben door alles heen, van veel grievend verdriet en veel klein geluk, veel angst en veel vrede-weergevende zorgjes, maar diep van binnen voos, al zoo lang, en als aangeknaagd door een onheelbare kwaal, altijd reeds, onbewust, onder de dreiging van dit noodlot. Een spookachtig leven leek haar 't eigen leven, nu in de vreemde helheid van dit nacht-denken, met vlak naast haar, tastbaar, het gruwelijke van Alphonse, die daar in waanzin vocht, — haar man, Alphonse, die haar alles was geweest, en voor wien zij nu zichzelve verzinken zag als één vlaag tusschen zoovele vlagen van zijn

arme, zieke verbeelding.

Star wakker lag zij en woelde op de canapé, haar kleeren aan; haar rug voelde gebroken en haar beenen waren broeiend warm en verlamd van pijnlijke moeheid. In een laag stoeltje zat Jeanne stil bij haar, lettend op elk harer bewegingen, verleggend een kussen of de deken wat optrekkend.

Den volgenden morgen zeer vroeg kwam dokter Besnard; hij bracht een anderen verpleger mede, een ouderen man met een vastberaden en vriendelijk gezicht.

Den bewaker van den nacht hoorde zij stil het

appartement verlaten.

Toen de dokter uit het ziekenvertrek terugkwam, stond zijn onuitgeslapen gezwollen gezicht met de wazige oogen vadsig-opgewekt; met een zucht ging hij zitten, wreef zich in de handen; 't ging daar

Sluiten