Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

I.

Het was de veertiende April.

Door de als van dauw frissche morgenstraat, vol zon-en-schaduw en vol voorjaarsgeuren, kwam Célestin met zijn karretje meubels naar „le centdix-huit" gereden. Hij zelf, in zijn fluweelen pak en met zijn flambardje achter op het rood-bezweete hoofd, duwde tusschen de diss-elboiomen; en het opgeschoten jongetje van de menschen, bij wie hij zijn atelier-zolder had gehad, trok voorop in het zeel. Het was een bleeke jongen in een blauw-enwit-gestreept tricot truitje, eng om zijn schriele lijf, en met een pet op, die hem te groot was. Hij trok uit al zijn macht, liep als een schippersmaatje in tweeën gebogen over het touw, want hij hield van Célestin en wou goed helpen.

— „Doucement, doucement, Gustave!" riep die telkens. Het ijzeren ledikantje, met de vier pooten de lucht in, lag bovenop de ladekast, en de stoelen en de schragen van de schraagtafel, daartusschen tot een kunstig balkgevaarte door elkaar heen gebouwd, torenden in top, kantelig bij elke wagendendering. Als een zware rij van wit-papieren orgelpijpen staken de tallooze teekenrollen op-zij naast het ledikant, en in de brandstoffen-kist — de kolomkachel had

Sluiten