Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diepen stoel voor het andere lage ruitjes-raam en verrichtte een handwerk... Nog andere beelden bewogen door zijn hoofd: in de verte der Kathedraal, zijn oom langzaam stappend op en af de trappen van het altaar, en met zijn langen lont-staf aanlichtend de hooge kaarsen — even buigt hij de knie, waar hij voorbij het Heilige gaat —; achter de zware tochtdeuren, in zijn eiken bank, zit weer zijn oom, droomerig, en reikt de wijwaterkwast; — op het bleekveld, onderlangs de zonnige kerkmuren, loopt hij, een grijsaard, maar rozig, en hoog van gestalte, het zwart zijden kalotje recht op het hoofd nu geschoven, en ziet naar zijn hoenders en zijn broeibakjes, of hij begiet met den groenen gieter de fuchsia's, die bij de open keukendeur staan op het keienstoepje, met een oud jaartal ingelegd.

In dit huis, in deze omgeving, daar was het licht hem het zuiverst om alles, daar was de geur het zoetst, de lucht het kalmendst aan zijn hoofd.

Hij zag er Jozette... zij werd hem nog oneindig liever, als hij haar daar zag... Twee voorstellingen waren altijd in hem opengegaan, zóó, in één oogwenk, maar in dien oogwenk diep-vol van teere sfeer en fijnste glanzingen: onder den bloeienden kerseboom op 't bleekveld, Jozette in een laag stoeltje, iets verstellend, dat blank verglijdt tusscnen haar kleine, werk-verweerde handen... Jozette in de open keukendeur, op het geschuurde waschbankje, haar zwarte muiltjes op een stoof, en een bollende schort vol erwten, die zij knappend dopt... zij kijkt op naar buiten; 'r haar is luchtig weggestreken van haar voorhoofd; zij peinst en lacht... wit kreukt haar gesteven matineetje aan het dofwarme rood der gebarsten plavuizen...

O, hoe engelachtig had zij er kunnen zijn, in

Sluiten