Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

senateur mompelde een bedankje, niet al te vriendelijk, want hij verwachtte sinds dagen een bericht dat niet kwam. Met zijn wat loomen gang liep hij, langzaam de courant open-vouwend, tot aan de voordeur, bleef daar nog even lezen.

Toen Carpentier weer in zijn stoel zat en hij het als door veel lichaamsarbeid moeizaam in de schouders gebogen statuur van den buitenman de straat zag oversteken, om naar zijn Luxembourg te gaan, dacht hij met een plotselingen schrik: „hij is oud geworden, van 't winter." De mogelijkheid lag op eens voor hemj dat de man op jaren zijn waardigheid kon neerleggen, Parijs verlaten... Dat zou pas een ramp zijn voor „le 118!" Zijn Sénateur en mademoiselle Lefournier, dat waren Carpentiers glorie's in een huis, waar toch altijd wel weer met zwarigheden zou te kampen blijven. Als zij die twee huurders ten minste maar mochten behouden, zoolang hun beheer duurde...

— „Madame Guillard!" riep eensklaps gebiedend een man in groen en grijs livrei, die onwillig ver van de logedeur staan bleef.

— „Rez-de-chaussée a droite," riep nog luider en even onwillig Carpentier terug.

Dan stond hij haastig op, ontsloot geluidloos de glazen deur en luisterde.

Het duurde lang eer er open werd gedaan; als het deurslot eindelijk knerste, was er gedempt en dringend een vrouwestem, de man stapte barsch naar binnen, trok brutaal de deur achter zich dicht.

— Daar hadt je 't weer, dacht Carpentier, de nieuwe schande voor zijn huis, dat hij een tijdlang bijna vrijgevochten dacht. Hij plukte aan zijn snorretje en zijn zieke oog knipperde met een zot-mistroostige grijns.

Sluiten