Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X.

Ik zag twee zwarte kruisen staan,

Geplaatst in ongewijde aarde,

Geheel alleen in schaduw hoek,

Van ongewijde aarde.

Ook stonden er kruisen wit en zwart,

Beschermd door muur van roode steenen,

Daar rust de dood, zonder smet of blaam Door zonnegloed beschenen.

Bimbam, zoo klinkt het klokje luid Bimbam, met zwaren, loomen galm,

Bimbam, o dood, in ongewijde aard,

Bimbam, rust gij ook zacht en kalm ?

En 't herfstwindje ruis-suisde zacht,

De blaadjes vielen teeder,

Ze vlogen op gewijde aard',

Toch ook op ongewijde lagen zij neder,

Het klokje bamde steeds maar voort,

't Kerkje tot bidde noodde,

O, zoo ik innig bidden kon,

'k Bad voor eiken doode.

XI.

O, Lente, groot in uwe fiere machte Als alles nog in vorst en sneeuw geboeid, En weenend bloem en vogelen wachten,

Op kus van u en 't nieuwe leven bloeit.

En als ge komt op uwe zachte schreden

En ziet de aard', in somb're kille smart,

En uwe lippen drukt op bloemen zwaar geleden,

Glorie van godheid, goude Lent' in 't hart.

v

Die teere kus die bloem en vooglen doet herleven, En baden zich in zee van zonneglans,

In frissche blanke dauw, en dartiend vlinder zweven, Dan, tooit ge u met gouden stralen krans.

Sluiten