Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

Hoe Kanteklaar de Haan zich over Reinaart den Vos beklaagde.

Kanteklaar ging voorop en sloeg ten bewijze van rouw met zijne veeren. Aan beide zijden van de baar liep een haan, waarvan de een Kantaart en de ander Kraaiant heette. Ieder van deze hanen hield een brandende waskaars in den poot. Om den dood hunner zuster Koppe hieven zij luide jammerklachten aan. Er waren ook twee zusters van Koppe bij, Pinte en Sproete genaamd, die de baar droegen. Ook zij waren droef te moede. Men kon reeds van verre haar gekerm hooren. Zoo begaven zij zich naar den Koning.

Nu trad Kanteklaar te voorschijn en zeide: „Mijnheer de Koning, ontferm u over de schade, die Reinaart aan mij en mijne kinderen, die hier vóór u staan, heeft berokkend. In het begin van April, toen de winter voorbijgegaan was en men de bloemen op het land zag staan, was ik trotsch op mijn talrijk

Sluiten