Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik, door honger gedreven, wel eten. Maar nu ik ze opgegeten heb, heb ik er pijn en ongemak van."

Dit hoorde Bruin en sprak: „Mijn hemel, lieve Yos Reinaart, vindt ge honing zulk een slechten kost? Honing is een zoete spijs, die ik boven alle andere gerechten verkies. Edele Reinaart, beste neef, help mij om dien te krijgen, dan zal ik er u mijn leven lang dankbaar voor zijn."

„Och," zei de Vos, „ge drijft den spot met mij!"

„Inderdaad, Reinaart, ik zou wel dwaas zijn, als ik den spot met u wilde drijven. Neen, ik spreek in vollen ernst."

„Meent ge dat waarlijk, Bruin?" vroeg Reinaart. „Welnu, als ge dan honing wilt eten, dan zal ik u zooveel geven, dat ge dien, al waart ge ook met uw tienen, niet ineens zoudt kunnen verorberen."

„Met z'n tienen? Dat is onmogelijk. Reinaart, houd uw mond daarover en wees er verzekerd van, dat ik, al had ik ook al den honing, die er tusschen hier en Portugal is, dien wel alleen zou opeten."

„Wat zegt ge, Bruin?" zeide Reinaart nu. „Een timmerman, die Lamfreit heet, woont hier in de nabijheid. Hij heeft zooveel honing, dat ge dien in geen zeven jaren kunt opeten. Dat alles zal ik u geven, als ge zoo vriendelijk wilt zijn en voor mij naar den Koning gaan."

Toen begon Bruin alles te gelooven en verzekerde Reinaart, dat hij, als hij hem al dien honing gaf, te allen

Sluiten