Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam aan de overzijde aan land, waar hij er over begon na te denken, hoe hij nog aan het hof zou komen; want hij had zijne ooren en het vel van zijne pooten verloren. Er zat niets anders op, dan zich om en om te wentelen, zoodat hij eindelijk toch aan des Konings hof kwam.

Toen men Bruin op zulk eene wijze zag aankomen, wist men niet, wie daar zoo kwam aanrollen. Eindelijk herkende de Koning hem en zeide: „Dat is mijn dienaar Bruin! Wat ziet zijn kop rood! Hij is doodelijk gewond! Och hemel! wie heeft hem zoo mishandeld?"

„Mijnheer de Koning!" liet Bruin zich nu hooren, „neem toch wraak op Reinaart, die de oorzaak is, dat ik zóó toegetakeld ben."

„Hoe heeft hij dat durven doen?" sprak de Koning. „Ik zweer u, dat ik mij zal wreken."

Daarop riep de Koning zijne raadslieden bijeen, en deze gaven hem den raad, dat men Reinaart door een ander voor de vierschaar zou dagen, opdat hij zich over zijne misdaden zou kunnen verantwoorden. Tevens gaf men hem den raad, dat Tibert de Kater nu naar hem zou afgezonden worden, welke raad den Koning goeddacht.

Sluiten