Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op weg gaan. Niemand is er, op wien ik mij beter kan verlaten dan op u. Onlangs was de vraat Bruin hier gekomen. Hij keek mij zóó boos aan, dat ik den weg niet met hem zou hebben durven afleggen. Dat zal ik nu morgen met het aanbreken van den dageraad met u doen. Dat dunkt mij het beste."

Tibert sprak: ,,'t Is beter, dat wij nog vanavond vertrekken, dan dat wij tot morgen wachten. De maan schijnt zóó helder, alsof het dag was. Mij dunkt, wij konden geen geschikter tijd voor onze reis kiezen."

„Neen, lieve neef," sprak Reinaart. „Als wij den Beer bij dag ontmoetten, dan zou hij ons laten doorgaan en groeten; maar als hij ons 's nachts tegenkwam, dan zou hij ons zeker kwaad doen. Ge moet hier vannacht blijven."

„Welnu," zei de Kater, „als ge het verlangt, dan wil ik wel blijven. Wat zullen wij eten?"

„Daarvoor zal ik wel zorgen, lieve neef. Ik heb hier spijzen genoeg. Ge moogt, als ge dit wilt, een stuk van een honinggraat opeten. Houdt ge van honing?"

„Een lekkernij is het niet voor mij, Reinaart," sprak Tibert. „Hebt ge niets anders in huis? Als ge mij een vette muis gaaft, dan zou ik daarmee dubbel en dwars tevreden zijn."

„Een vette muis?" hernam Reinaart. „BesteTibert, wat zegt ge daar? Hier dichtbij woont een pastoor;

Sluiten