Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de geheele zaak voor den Koning uiteengezet. Deze beraadslaagde met zijne Rijksgenooten; maar men kon tot geene beslissing komen. Toen liet gij, o Koning, mijn neef Reinaart ontbieden, opdat deze de zaak zou uitmaken.

„„Reinaart," zeidet ge, „gij moet de zaak nu voor ons naar recht en billijkheid beslissen."

„„Mijnheer de Koning," gaf de Yos hierop ten antwoord, „het gaat moeilijk, op grond van hunne woorden een oordeel te vellen. Maar za,g ik de Slang in zulk een nood, als toen zij den man vond, dan wist ik wel, wat ik u raden zou."

„„Reinaart," hernam de Koning, „wij volgen uw raad op; er is hier niemand, die iets beters weet."

„Toen ging de man met u, Mijnheer de Koning, en met de Slang naar de plaats, waar deze in den strik had gezeten. De strik werd haar weder om den hals gedaan, waarop gij, o Koning, zeidet: „Reinaart, hoe dunkt u nu, dat men de zaak zal beslissen?" Hierop antwoordde de Yos: „Nu verkeeren zij beiden in denzelfden toestand als vroeger : zij hebben gewonnen noch verloren. Het komt mij nu goed voor, dat de man, als hij wil, de Slang uit den strik mag losmaken, zooals hij vroeger heeft gedaan, indien deze zich onder eede verbindt, hem niet te dooden. Maar vertrouwt de man de Slang niet, dan kan hij gaan, waarheen hij wil, en de Slang in den strik laten zitten."

Sluiten