Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hond hield en dikwijls met hem speelde. De hond sprong tegen zijn baas op, kwispelde met zijn staart en likte hem in het gezicht. Dit zag de ezel, die den hond daarom benijdde en bij zichzelf zeide: „Wat ziet mijn baas toch in dien vuilen hond, dat hij hem zoo mag likken en tegen hem opspringen? Maar mij dwingt hij tot zwaren arbeid: ik moet altijd maar zakken dragen. Yijf honden zouden in één jaar den arbeid niet kunnen doen, dien ik in één week verricht. Nochtans zit hij bij mijn baas aan tafel en kriigt alles wat hij maar wenscht, vette kluifjes en zoo al meer. Maar mij geeft hij niets anders te eten dan gras, en 's nachts moet ik zonder stroo op den grond liggen. Dat is een treurig bestaan! Ik wil het niet langer verdragen! Ik wil de gunst van mijn baas trachten te verkrijgen en precies zoo met hem doen, als de hond met hem doet."

„Juist kwam zijn baas thuis, en nu lichtte de ezel zijn staart op en sprong tegen hem op. Met zijne voorpooten streek hij langs zijne ooren, zoodat hij hem groote schrammen toebracht. Opeens schoot hij met zijn muil vooruit en wilde hem op den mond likken, zooals hij dit den hond had zien doen. Toen riep zijn baas verwoed: „Help! Help! Die ezel wil mij dooden !" Hierop kwamen de bedienden met stevige stokken aangeloopen en ranselden den ezel zóó verschrikkelijk af, dat het niet veel scheelde, of hij was op de plaats zelf doodgebleven. Nu ging hij weder

Sluiten