Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXII.

Hoe Eeinaart vrede met den Koning sloot, en hoe Isegrim de Wolf zich nogmaals over hem beklaagde.

Reinaart, die hunne bedoeling wel begreep en die niet veel goeds in den zin had, zeide: „Ontvangt mijn ■dank, Mijnheer de Koning en Mevrouw de Koningin, dat ge mij in mijn rouw troost. Ik zal dag noch nacht rusten, voordat ik weet, waar de kleinoodiën zijn. Mochten zij ergens zijn, waar mijn kracht en mijn slimheid te kort mochten schieten, wilt mij dan uwe hulp verleenen; want de zaak betreft u van nabij, en het is uw plicht, recht te doen voor ■den moord, die daarvan, helaas! het gevolg is geweest."

„Reinaart," gaf de Koning hierop ten antwoord, „als ge weet, waar de kleinoodiën zijn, en als ge mijne hulp noodig hebt, dan zal deze u altijd verleend worden."

Sluiten