Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van leuning hing langs de trap een kabeltouw neer, dat door het veelvuldig bewerken met niet altijd reine handen als gepolitoerd was. Het schonk daarom, wanneer de hand aan zulk een gladden steun niet gewend was, in 't geheel geen steun, doch belemmerde veeleer het opklimmen naar de bovenverdiepingen, waar onze reizigers toch wezen wilden. En zij kwamen er. Want de broeder en zuster hadden dit werk meer bij de hand gehad, en wisten bij ervaring hoe moeilijk begaanbaar de weg naar de woning van den arme vaak is.

Op de eerste verdieping hielden zij een oogenblik stil, om den weg naar de tweede te zoeken.

„Waar mot uwes wesen?" vroeg een schelle stem.

„Woont op deze trap ook Gelstaart?" vroeg Piet aan de vrouw, die de bezoekers had staande gehouden.

„Gelstaart, wacht is. Laat is kijke. Wat mot ie doen meheer?"

„Ja, dat weet ik niet. De man is ziek, en heeft een kleinen jongen, die 's avonds wel met sigaren de straat op gaat."

„O, meheer, dan nog twee trappies op, en dan achter ankloppe, dan bint uwes terecht. Zeker van de liefdadigheid, as ik vrage mag?"

„Dank u wel," zei Piet, die het niet noodig vond verdere inlichtingen te verstrekken, en hij begon welgemoed de trap naar twee hoog te beklimmen, verblijd dat hij aan het goede adres was, en de knaap hem niet bedrogen had. Van de tweede verdieping ging het verder zonder oponthoud naar de derde en weldra stonden beiden voor het achterkamertje.

De broeder en zuster hadden al zóo dikwijls armoedige woningen gezien, dat deze hen niet bijzonder trof. 't Was anders erg genoeg.

De glasruiten van het dakvenster waren met papierstrooken beplakt, om niet al te veel frissche lucht door de kieren te laten; de verflooze tafel waggelde; de drie stoelen noodigden niet tot zitten uit, doch waarschuwden tegen te zware belasting; een oude handkoffer, die zijne prille jeugd reeds lang vergeten was, keek onder de tafel uit, terwijl een half versleten kachel zonder vuur, benevens een klok, die stilstond, zoo ongeveer al was, wat de opmerkzame toeschouwer ontdekken kon.

Maar dit is zoowat in alle woningen der armen hetzelfde, en Piet noch Wil vonden in dit alles iets bijzonders. Wat hun aandacht trok, was dan ook slechts de bedstede in den hoek van het vertrekje, waarin, op een erbarmelijk leger, een man lag, die zich bij het binnentreden der bezoekers een weinig oplichtte en vroeg of er iemand was.

„Ja," antwoordde Piet, „zijn we hier terecht bij Gelstaart?"

„Jawel mijnheer."

Sluiten