Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hulp van een kerk; de dokter komt niet; je familie wil niets van je weten; dan zal er bij jou toch óok wel iets haperen."

„Och, ik draag mijn hart wat hoog, en dat kunnen ze niet hebben."

„Kom, kom; is dat het eenigste? Mag ik eens voor je bij je familie aankloppen; en als ik een predikant kan vinden, mag ik dien eens vragen bij je te komen? Wil ik eens een dokter over je spreken?"

„Hoor eens mijnheer, u is wèl goed, maar 't geeft niet. Mijn familie is toch doof aan dat oor; een predikant klimt geen drie hoog, en een dokter, die moet weten waar hij om zijn geld kan komen."

„Laat mij 't beproeven. Waar woont je zuster?"

„Zij heeft een kruidenierswinkel in de Marnixstraat."

„En je broer?"

„Dat weet ik niet precies. Maar 't is een melkslijter; hij moet ergens in de buurt van de Jan Steenstraat wonen."

Snelwagen noteerde een en ander. „Waar is nu je jongen?" vroeg hjj verder.

„Dat' weet ik niet, mijnheer; hij zal op straat zwerven."

„Nu, ik weet nu genoeg, en zal zien wat ik voor je doen kan. Heb je vandaag al gegeten ?"

„Ja, mijnheer, van het geld van gisteravond — u weet wel — hebben we van morgen brood en koffie gehad, en voor van middag is er nog wat over. En dan hoop ik dat Piet weer 't een en ander meebrengt."

Op dit oogenblik ging de deur open en de kleine Piet trad binnen met een beschreid gelaat. De jongen keek de beide bezoekers schuw aan, en veegde met de mouw van zijn hesje zich de tranen uit de oogen.

„Wel Piet, ken je me niet meer?" vroeg Snelwagen.

„De mijnheer van gisteravond," lichtte de vader in.

Maar Piet begon erbarmelijk te schreien, zoodat Wil innig medelijden met den jongen kreeg. Zij trok hem naar zich toe en sprak vriendelijk: „Kom vent, vertel me eens, wat scheelt er aan?"

En Piet vertelde, dat hem door een grooten jongen een kistje sigaren ontstolen was. „Het was een vol kistje, juffrouw; en ik had er nog geen een uit verkocht."

„Zou hij waarheid spreken?" mompelde Snelwagen binnensmonds; doch de vader had de vraag gehoord en antwoordde op vrij hoogen toon: „Piet liegt niet, mijnheer."

„Ken je dien jongen?" vroeg Wil.

„Neen juffrouw. Hij kwam zóo achter me, haalde het kistje onder mijn arm vandaan en ging er meê van door."

„Wel, wel; nu, troost je maar, we zullen wel eens zien," zei Snelwagen.

Sluiten