Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwam den schrik te bqven, wat goed was, daar juist de pleegzoon der familie, door een man vastgehouden, voor de deur werd gebracht. „Hier mevrouw," zei de man, „hier is het jongetje dat de ruit heeft ingegooid''; welke boodschap door den schuldige werd beantwoord met een driftig: „Laat me maar los, ik woon hier."

„Kind, wat breng je ons een ellende; heb jij die ruit ingeworpen?" vroeg Lena op klagenden toon.

„Maar ik kon het niet helpen, juffrouw. Ze gooiden mij ook met steenen, en toen ik wilde teruggooien, toen ging de steen net bij ongeluk in de glazen."

„Je bent een echte nare jongen," was al wat Lena in haar verontwaardiging zeggen kon. „Kijk je juffrouw Wil eens toegetakeld hebben; dat is jou schuld."

De knaap zag op, en bemerkte een bebloeden zakdoek, dien Wil tegen haar voorhoofd hield. Nauwelijks echter had de jongen dit gezien of hij brak in geweldig snikken uit. „O, juffrouw," jammerde hij, „dat heb ik toch niet gedaan; vergeef het mij, vergeef het mij."

Dadelijk was Lena verteederd en bereid om den jeugdigen zondaar te troosten, maar Wil vond, dat hij wel een bestraffing had verdiend.

Voor deze gelegenheid werd hem bij wijze van straf gedurende twee dagen het verblijf in de huiskamer ontzegd, wat voor den jongen geen kleinigheid was. Hij moest nu alleen in de keuken eten, want de dienstbode middagmaalde aan tafel. Maar vooral viel het hem zwaar, dat hij juffrouw Wil in dien tijd niet te zien kreeg, en slechts vernam dat zij niet ernstig gewond was. Aan het einde van zijn straftijd werd hij door den oudsten broeder geroepen, die hem ernstig onder handen nam. „Zal je nu zorgen, dat het niet weer gebeurt?"

„Ik zal mijn best doén, mijnheer!"

„Iloe kom je toch zoo wild en ondeugend? Je moet nu zachtjes aan een andere jongen worden, want waarlijk, het gaat zoo niet. Iedereen klaagt over je, en door je onnadenkendheid heb je ons al zooveel onaangenaamheid bezorgd."

„Ja mijnheer, ' bekende de zondaar volmondig.

„De zaak is, ' zei de oudste broeder des avonds in den familiekring, „dat de jongen zonder God of godsdienst tot dusver is grootgebracht. Hij heeft voor zijn doen een tamelijke opvoeding gehad, maar heeft allerzonderlingste begrippen van goed en kwaad. Hij zal met moedwil niemand leed doen; doch hij houdt er honderden guitenstreken op 11a, die anderen niet aangenaam zijn, en ten slotte heeft hij zoo zijn eigen denkbeelden van dit en dat, die hem leiden tot allerlei dwaasheid."

Sluiten