Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Tusschenbeide lijkt hij wel een halve heiden," meende Lena, die het nu weer niet kwaad zou gevonden hebben, indien men den armen knaap op een of andere manier in een gesticht kon onderdak brengen. „'t Is net een jongen voor Van 't Lindenhout, of voor een weeshuis."

„Toch niet kwaad, dat hij hiar is, dan zien we met eigen oogen eens welk getob het in zulk een groote inrichting moet wezen," meende Karei.

„Het slimste zitten we met de catechisatie en de kerk. De jongen zit wel stil in de kerk, maar hij is er met zijn hart niet bij en vraagt allerlei dwaze dingen. En om hem zijn werk voor de catechisatie te laten maken, dat is verbazend moeilijk," verzekerde Piet, die zich meer met dit deel van de opvoeding scheen bezig te houden. „Maar het is te begrijpen, dat een betrekkelijke verwaarloozing van jaren niet zoo in eens wordt goedgemaakt. God heeft ons dit kind op ons levenspad geworpen; naar mjjn overtuiging hebben we dus dat werk te doen en dat wel goed te doen, met al onze kracht. Misschien kunnen we later nog vreugd aan hem beleven, maar al ware dit niet zoo, we hebben te gehoorzamen en ons over dezen wees te ontfermen."

„Dat meen ik ook," opperde Wil, die nog een pleistertje op het voorhoofd droeg. „De jongen is ondeugend nu en dan; hij is verbazend lastig; onze gansche rustige huishouding is in de war; maar missen zou ik hem toch niet gaarne."

„Dan maar met nieuwen moed voorwaarts," vermaande Karei, „en er ons op voorbereid, dat we morgen of overmorgen weer voor 't zelfde geval komen staan, en ons zullen hebben bezig te houden met allerlei opvoedkundige vraagstukken waaraan we dusver onze krachten nog niet hebben beproefd. Ik vind het denkbeeld wel aardig, dat we hier als ongetrouwde luidjes, het vader- en moederschap uitoefenen over een Amsterdamschen straatbengel."

Op dit oogenblik kiopte de oude Jans aan de kamerdeur. „Wel?" — vroeg Lena, terwijl de oude het goedige gelaat om den deurpost stak. „Och, juffrouw, de jongen ligt boven zoo erbarmelijk te huilen; hij kan niet tot bedaren komen."

„Slaapt dat kind nog niet?" vroeg Lena.

„Neen juffrouw, en gisteravond heeft hij ook zoo te keer gegaan."

„Dan zal ik eens naar boven gaan," zeide Piet; maar Wil was hem voor. „Laat mij maar even gaan," en de daad bij het woord voegende, wipte zij de trap op naar boven, waar zij werkelijk den jongen hoorde schreeuwen van smart.

„Wat scheelt er aan?" — vroeg Wil.

„O, is u het juffrouw. Ach, vergeef het me toch. Heb ik u heel erg pijn gedaan?"

Sluiten