Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, dat wondje aan mijn hoofd beteekent niets, mijn jongen. Doch ik zou zoo gaarne willen, dat je wat minder wild en wat meer bedachtzaam waart. En waarom schrei ie nu zoo?"

„Och juffrouw, ik kan het niet verdragen, ik kan niet."

„Wat kan je niet verdragen?"

„Dat ik zooveel kwaad doe. U is zoo goed voor me, en ik wilde zoo graag anders worden."

„Nu mijn jongen, dan moet je dat den Heere vragen. Hij kan je anders maken, en wanneer je Hem om hulpe vraagt, zal Hij het gebed verhooren."

„O, maar ik heb 't vanavond al zoo dikwerf gevraagd, maar t helpt toch niet juffrouw. Ik krijg toch geen antwoord."

„Dat stel je je gansch en al verkeerd voor; de Heere antwoordt niet op de manier van de menschen. Hij heeft geantwoord en t ons beloofd, dat als wij Hem aanroepen, Hij ons uithelpen zal."

„Dus de Heere hoort ons wezenlijk?"

„Zeer zeker, meer dan dat. Vóór er een woord op onze tong is, weet Hij dat. Hij kent zelfs onze gedachten. En als je nu in ernst anders worden wilt, vraag het dan Hem. Hij zal je helpen."

„Ja, juffrouw," zeide de knaap eenvoudig.

„En nu moet je gaan slapen, hoor vent, want het is hoog tijd; denk aan hetgeen ik je gezegd heb."

Met deze woorden verliet Wil het kleine kamertje en de knaap bleef alleen. Hij was getroost.

„Is hij wat bedaarder geworden?" vroeg Lena, toen Wil weer beneden kwam.

„Ja zeker, 't Is toch ook wel een aardig ventje," en Wil deed verslag van liet gesprek, dat zij met den pleegzoon der familie had gehouden.

„Er zit een hart in dien jongen," meende Karei, „en dat is altijd iets waarvan ik houd."

„Ja, den eersten avond den besten kreeg ik al een prettigen indruk van hem," bevestigde Piet.

„Maar hij is toch vreeselijk lastig," merkte Lena op.

„We zijn zoo weinig last gewend," antwoordde Wil. „Onze broertjes bederven ons en 't ging hier veel te mooi. Nu zien we tenminste een weinigje van de werkelijkheid van het leven. En die werkelijkheid is zoo hard. God heeft ons behalve geld ook krachten gegeven en ons nu den weg aangewezen om die te gebruiken. Hij zal ons nu ook de bekwaamheid schenken, die we noodig hebben, om met dit kind om te gaan en het op te voeden in de vreeze en de vermaning des Heeren."

Sluiten