Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hier is haar kaartje," zei Jans, die reeds het kaartje had neergelegd, zonder dat Karei er op had gelet. Hij nam het in de hand en las dat de b,ezoekster Mevrouw Yan Moor was.

„Onbekend," zei Karei, „maar laat mevrouw in de zijkamer."

Daarop ging hij zelf naar dit vertrek en bevond zich tegenover een vrouw van meer dan middelbaren leeftijd, die er wel niet deftig uitzag, maar blijkbaar in goeden doen verkeerde.

Karei noodigde haar uit plaats te nemen en vroeg naar de oorzaak van dit bezoek.

„Die wil ik u wel meedeelen, mijnheer, als mijn naain u tenminste niets zegt."

„Het spijt mij, maar ik herinner me dien naam niet."

„U hebt indertijd een jongetje tot u genomen."

„Om u te dienen; maar die knaap heet Gelstaart."

„Juist, maar zijn moeder, heette Yan Moor."

„Dus u is .. .

„Zijn tante. Mijn man is de broeder van zijn moeder."

„O, zoo."

•„U begrijpt, dat we wel een weinig nieuwsgierig zijn naar onzen neef, en. daar wij vernamen, dat hij in behoeftige omstandigheden was achtergebleven, meenden wij hem misschien van dienst te kunnen zijn. Ziet u, we zijn een paar maanden geleden uit Indië hier gekomen» en wonen nu in Hilversum. Van de andere familieleden vernamen wij de treurige geschiedenis, en ook, dat u zoo vriendelijk waart geweest den jongen tot u te nemen. Mijn man wenscht nu voor den jongen te doen wat hij kan; we hebben de middelen, weet u, en zelf geen kinderen. Hadden we maar eer geweten wat hier gebeurd is, maar als men in Indië is, dan hoort men zoo weinig van de familie in het moederland."

Karei had met verklaarbare belangstelling naar deze redevoering geluisterd; er was iets in den toon, waarop deze vrouw sprak, dat hem onaangénaam stemde en hij gevoelde dat er voor zijn pleegzoon ongewenschte moeilijkheden konden komen. Langzaam sprak hij daarom van de blijdschap, die de jongen zou smaken, nu er toch een familielid was, dat naar hem omkeek, en, zoo vervolgde hij, „dan moet ik u nog iets zeggen, mevrouw; de jongen is niet gezond."

„Niet mjjnheer; misschien de kwaal van zijn vader?"

„Dat schijnt wel, mevrouw."

„Och, wat jammer."

„Mogen we u eens, hij en ik, een bezoek in Hilversum brengen ?"

„Zeker, zeker; kunt u morgen of overmorgen? Mijn man verlangt zeer den jongen te zien."

„Dat begrijp ik, mevrouw. Vindt u overmorgen goed, dan zullen we u een bezoek komen brengen."

Sluiten