Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God al je zonde genadig heeft weggenomen, en je in Jezus Christus aanneemt als zijn kind?"

Weer knikte de zieke in allen eenvoud bevestigend.

Tante Yan Moor zat zwijgend neer en tranen druppelden op haar kleed.

Zoo nu en dan las Snelwagen een paar verzen uit den Bijbel voor, die hij meende dat den jongen zouden vertroosten; en eindelijk sloot de knaap de oogen.

De eerste zonnestralen kleurden den hemel; de vogelen zonden klapwiekend hun lied naar omhoog, en Snelwagen zat nog in stil gepeins bij het sterfbed, toen tante Van Moor hem de hand op den schouder legde.

Hij zag op, en volgde haar op haar wenk.

„Zullen wij nu telegrafeeren?"

„Ja, 't is wel vroeg, maar 'zij moeten met den eersten

trein komen." ,

„Schrijft u dan even een telegram; dan laat ik t naar

het station brengen."

Snelwagen deed het, en even daarna was de knecht op weg.

Het was of Snelwagen na het verzenden van het telegram onrustiger werd. Allerlei gedachten vervulden zijn hoofd; hoe zouden ze tehuis verschrikken; hoe ontsteld zouden zij zijn reeds bij het ontvangen van het bericht. Hij keek in zijn spoorboekje na, hoe laat de eerste trein aankomen kon. No<* drie uur moest hij wachten; zou de jongen dan nog leven? Misschien sliep hij nu reeds ongemerkt voor altijd in, en de man wierp een blik op den jongen, die nog altijd scheen te sluimeren, en snel hoorbaar ademhaalde.

Tante Van Moor had haar plaats aan het ziekbed weer ingenomen. De harde trek van haar gelaat was verdwenen, zij zag bleek en haar gansche houding teekende sn>art.Wonderlijke vrouw!" dacht Snelwagen, „nu zoo veranderd; hoe de aanblik van menschelijk leed het hart vermurwen kan.

Tante wischte van tijd tot tijd het klamme zweet zachtkens van des jongens voorhoofd. Bij een van die aanrakingen opende Piet de oogen. Snelwagen zag hem met teedere liefde aan en vroeg: „Heb je het benauwd, mijn jongen.

De zieke knikte bevestigend.

Wil je wat drinken?" vroeg tante, en bracht hem een stukje ijs tusschen de lippen, dat met een dankbaren blik werd ontvangen. Snelwagen boog zich over den jongen heen: „Piet, ge kent den weg naar het Vaderhuis, waarin vele

woningen zijn? Welke is die weg? j u j

„Jezus," lispelde de lijder, én hoewel hij 't benauwd had, scheen zijn oog te zoeken naar den blauwen hemel (.aarbuiten, waaraan de laatste sterren verbleekten voor het al

> ,. , t ~lrwonhr non

deer doorbrekend Ucüt aer zon; «u mou we»..

m(

Sluiten