Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONDER DEN BEUKEBOOM.

Er staat ergens in ons land een beukeboom. Een beukeboom zóó dik, dat twee mannen hem nauwelijks kunnen omspannen, en zóó hoog, dat men zijne uiterste twijgen en blaadjes ternauwernood kan zien.

_ 't Is een prachtige boom. Wijd heeft hij zijne onderste takken uitgebreid, en had hem het dichtbij staande onderhout en het kreupelboschje 't niet belet, dan zou hij ze nog verder hebben uitgespreid. Hoe gelijkmatig zijn zijne takken verdeeld! Als een schilder ze even nauwkeurig op 't doek had overgebracht, zooals ze zich aan hem vertoonden, zou men 't niet natuurlijk gevonden hebben. Hoe grillig de natuur soms takken en twijgen vormt, hier was zij schier meetkunstig te werk gegaan. Die breede takken schenen muzieklijnen te zijn, bedekt met blaadjes, als zoovele zangnoten, ten gemakke der zangvogels.

In welk jaargetijde men ook den boom aanschouwt, altijd is hij schoon en vol poëzie. In de lente breken zijne teedere blaadjes dooide bruine hulsels heen en wikkelen hem in een lichtgroen gewaad, terwijl de grond aan zijne voeten met duizenden witte schilfertjes bedekt is, die als zilver blinken, zoodra zij in aanraking komen met het zonlicht. Des zomers is hij in zijne volle heerlijkheid. Dan draagt hij een donkergroen kleed met roodbruinen weerglans, en ziet hij er zoo statig en deftig uit, dat men bijna den hoed voor hem zou afnemen, als voor een reus, die in zijn machtige armen een heirleger van levende wezens verbergt, — wezens, die er zich van bewust zijn, dat zij bij hem veiligheid en bescherming vinden. Komt de herfst, dan deelt hij gaarne uit van 'tgeen hij ontvangen heeft, en als de kinderen uit het stadje of van de naastbijgelegen woningen komen, om zijne vruchten te verzamelen en aan draadjes te rijgen, dan zou hij gaarne zijne takken schudden, om nog meer

Sluiten