Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar gij ziet hem liever gaan dan komen. Hij is zoo vervelend, zoo alledaagsch! En hij blijft altijd zoo lang. Men kan hem niet wegkrijgen! Intusschen heeft de meid hem binnengelaten, en daar hij u aan het vensterraam zag, kunt gij hem geen belet geven en .... gij ontvangt hem met een allervriendelijksten glimlach.

„Zeer aangenaam, dat u mij eens komt bezoeken! Ik dacht al: zou mijnheer mij vergeten? Nu, ik verheug mij u te zien. Neem plaats .... En hoe maakt het uwe familie?"

Zoo iets eischt de burgerlijke beleefdheid. Maar iedereen voelt, hoe onwaar zulk eene soort van burgerlijke beleefdheid is. Hoe meer wij die bestrijden, des te meer kunnen wij er toe medewerken, dat dergelijke huichelarij uit de samenleving verdwijnt.

Elise kende deze praktijken. Zij leefde in eene maatschappij en binnen kringen, aan wier stilzwijgende overeenkomsten en gebruiken zij gewoon was.

Zij moest zich er dus in schikken. Wilde men haar niet hartelijk ontvangen, welnu, zij had aan de eischen voldaan.

De visites werden dan ook behoorlijk afgelegd en — vielen nogal mee.

Maar hoe met de familie Oker?

Zij had zich voorgenomen daar geen bezoek te brengen, niet slechts omdat zij voor mevrouw geen sympathie gevoelde, maar ook en vooral wegens het verongelukte aanzoek van Herman, waardoor zijne familie zich beleedigd moest achten. Zij oordeelde het dan ook zeer ongepast, daar zij, door er heen te gaan, de verbittering gewis nog grooter zou maken.

Dit besluit kwam haar vader te weten. Hij zag er ook wel iets onvoegzaams in, maar van zijn kant wilde hij alles vermijden om de vriendschappelijke betrekking, waarin hij tot den heer Oker stond, af te breken. Hij was er dan ook heengegaan, alsof er niets voorgevallen was.

„Elise," zei hij op koelen toon, „het zou mij zeer grieven, zoo gij met mijnheer Walton geen bezoek bracht bij de familie Oker. .... Zwijg maar, ik ken al uw tegenwerpingen en ook uw antipathie tegen mevrouw; maar ik geloof, dat mijnheer en mevrouw verstandige menschen zijn, die begrijpen zullen, dat zoo iets meer gebeurt, maar dat deswege de vriendschap niet behoeft afgebroken te worden. Ik houd het er voor, dat zij u verwachten .... Spreek mij niet tegen. Denk er aan, dat mijnheer Oker mijn vriend is en dat, zoo gij er niet heengaat, gij hunne deur ook voor mij gesloten hebt."

Elise begreep deze laatste woorden zeer goed. Wat zou er dan van 't schaakpartijtje worden, waarvan haar vader zoo'n liefhebber was?

„Ik zal er heengaan," zeide zij, „omdat u het verlangt.'

Haar bezoek had geen gunstig gevolg. Zij was er met Frans

Sluiten