Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in ^ geboorteplaats nog een en ander in orde te brengen, waarbij ik mijn Mina niet kan medenemen, zoodat zij dan zoo lang onder opzicht van Hanne kan blijven."

„En blijft u lang weg?"

.Ongeveer twee maanden."

_»Wel, dat treft! Bousum en ik zijn van plan, over een week op reis te gaan naar Zwitserland, en wij zullen dan ook een week of acht uitblijven, zoodat wij elkander daarna hier kunnen weerzien. Wij wilden wel vroeger thuis komen, maar dan is onze nieuwe woning nog niet gereed.... Lach maar niet, mevrouw! Ik ga alweer verhuizen.^ Bousum heeft een huis gekocht; maar daar zijn zoovele reparatiën aan te doen, dat ik zelfs vrees er niet eens over twee maanden in te kunnen.... Bousum, kom — zeg ereis wat! Je zit daar zoo stil! Deert je wat? .... En hoe aardig zou 'tzijn, als wij op onze terugreis elkander in den Achterhoek ontmoetten! Bousum, je moest eens in 't spoorboekje nazien, of dat kan. 'k Zou het dol prettig vinden ... Dan kon ik meteen eens mevrouw Oker bezoeken. Ik hoor, dat zij naar Italië is en daar eenige weken blijft. Maar over

twee maanden zal zij wel terug zijn Bousum, zou je niet

een beschuitje nemen? 'tSmaakt beter bij je thee zonder suiker."

Elise haastte zich, haar beschuittrommeltje te openen, maar Bousum bedankte.

Van lieverlede kreeg het gesprek een andere wending en kwam ten slotte neer op de familie Gevers, met wie Bousum bevriend was.

»Ik hoor," zeide hij tot Elise, „dat u Gevers met zijne vrouw en hun kind uitgenoodigd hebt u buiten te komen bezoeken."

„Ja, dat is zoo," antwoordde Elise. „Ik heb hun dat voorgesteld en er ook schikkingen met den hotelhouder voor getroffen gedurende de paar weken, dat zij mijn gast zullen zijn. Ik dacht: die goede menschen mochten wel eens een uitstapje nemen. 'tZal hun goeddoen, vooral juffrouw Gevers, die niet zoo heel sterk is."

„En denkt u, dat het zal lukken?"

»Ik hoop van ja. De heer Gevers doet moeite om een paar weken vrij te krijgen, en zal 't mij morgen laten weten, 't Zijn zulke lieve, hartelijke menschen."

„Ja, dat zijn zij wel!" zei mijnheer Bousum. „Ik ken ze reeds sedert vele jaren en weet mij nog goed den tijd te herinneren, toen het er in huis en hart anders uitzag. Zij hebben door het Evangelie geleerd elkander in God lief te hebben, en van dat oogenblik af werd hunne woning een paradijs en kwam er het nieuwe, hemelsche leven binnen. Man en vrouw zijn gelukkig, en hun geluk lacht en klinkt u reeds toe, voordat ge hun drempel hebt overschreden, God gave, dat er in alle huwelijken zulk een eensgezindheid, zulk een eenheid van geest gevonden werd! *

Sluiten