Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9. Van Machrietje.

op een - nen a - vond la - te.

1. Des avonds in het klaar manesching, Als Machrietje wierd uitgelaten,

't Was om te halen den rooden wijn,

En dat op eenen avond late.

2. Machrietje onder haar weugetjes kwam, Den stout ruiter die kwam haar tegen:

„Waar ga je, waar ga je, Machrietje, men lief? Zeg mij, en vanwaar zijn al jen weugen ?"

3- — „Vanwaar dat al mijn weugetjes zijn?

En dat zal ik u zeere zeggen !

Sturt gij mijn kannetje met rooden wijn,

En dat zalt gij diere vergelden 1"

Var.: 2, 3. men lief<>] zeide hij, — 3, 2. cere~] zeere gaan — 3-4. Zoodat je mijn kannetje met rooden wijn sturt, En dat zult gij moeten gelden!"

Sluiten