Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Hij reed berg op, ja berg neder dal,

En wel honderd en duizende mijlen,

Totdat hij aan een kasteel wachter kwam,

En hij hoorde daar zoo schoone zingen.

4. „Kasteelwachter," zeide hij, „kasteelwachtere van mijn, En waar hoor ik zoo schoone zingen?"

— „En hajere gekomen in den schoonen klaren dag, En ik hajere wel binnengelaten."

5- — „Hakere gekomen in den schoonen klaren dag, En hajere me binnengelaten?

Ik heb er hier nog eenen gordel gouden geld,

Os je 't zegt, en ik zal je ze schinken."

6. — „Heb je gij nog eenen gordel gouden geld?

Os 'k het zegge, en zal je me ze schinken?

Hier zijndere de sloters van den Barbon,

Houd ze vast, en en laat ze niet klinken."

7. Ze staken de sloters in het slotergat,

En zij heften al op de klinke:

Ze zagen der daar drij, ja van verren gelijk van bij, Schoon gekleed in 't harnas al blinken.

8. Ze staken de stee aan vier hoeken in den brand,

En ze zagen den rook uitkomen;

Ze riepen: „Schiet maar dood! vrouw en man en kinders ook, Uitgenomen de schoone jonkvrouwe 1"

9. Ze schoten al dood: vrouw en man en kinders ook, Uitgenomen de schoone jonkvrouwe.

Ze zetten haar zoo ras, ja zoo ras op haren tas:

En ze reed er door de stad al rouwen.

VAR.: 3, 2. En wel honderd en] Ja zoo menigte — 4,2. hoor ik\ hoort men 71 3- gelijk] en — 4. Al met huider harnashabietje. — 8,2. ze] me — 9,3* zeiten] zaten — tas] besten tas — 4* reed er] reden

9, 3. zetten of zette ?

Sluiten