Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10. Ze zetteden haar op haren blauwen rok,

En ze reed er door de stad al weenen:

„Waar is er mijnen man, mijnen alderliefsten man, Al met zijne drij kinderen kleene?"

xi. _ „Waarom is 't, dat gij nog weenen moet?

Is 't om eenen man alleene?

Daar zijn der nog zoo veel in Barbon, die schoone stad: Hij en is erre nog niet alleene."

12. Me zallen dat gaan schrijven op een blad papier, En omdammer te beter zoün van hooren,

Alsdat 't er in Barbon, ja Barbon die schoone stad,

Voor een gordel gouden geld was verloren.

VAR.: 10, 2. reed er] reden — n, 4- Al met huider kinderen kleene. io, i. zetteden of zettede?

Sluiten