Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den keten van haren hals Hebben zij der afgestolen ,

Den ring van haren hand Hebben zijder afgedaan.

3. En dat vrouwtje ging gaan klagen naar den kapitein :

„Wel, menheer den kapitein Wat hebt gij van joun soldaten?

Wel, menheer den kapitein ,

Wat hebt gij van joun volk?"

4. — „En wel, vrouwtjen, en hebben zijder joun misdaan?"

— „Jaan z', menheer den kapitein!

Ze hen mijn goed en mijn geld afgenomen:

Den keten van mijn hals Hebben zijder afgestolen,

Den ring van mijnen hand Hebben zijder afgedaan."

5. En den kapitein deed erre den trommel slaan.

Den trommel sloeg:

't Was om huldere bijeen te vergaren;

Den trommel sloeg:

't Was om huldere bijeen te doen.

Ze meenden dat het was Al om te gaan vertrekken;

Ze meenden dat het was Al om deure te gaan.

6. En den kapitein steldere ze drij en drij,

Drij en drij:

't Was omdamme ze te beter zoün verkennen;

Drij en drij:

't Was omdamme ze te betere zoün zien.

VAR.: 6, 3 {en ook lager). verkinnin\ kennen

2, 5-6. Gezongen op de wijze van vs. 3-4. — 4, 4-5. Gezongen als vs. 2-3. — 5, 6-9. Gezongen als vs. 2-5.

Sluiten