Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te zeggen, de gemeenteontvanger sprak er laatst bij ons van. Zij moet plan hebben naar de kinderen in Holland te gaan, omdat zij alleen tegen de lange avonden op ziet. Ais dat zoo is, dan zal in het najaar nog wel de handopening komen en kunnen zij dus beroepen. Zéker, wist hij het evenwel niet. Hij had den klerk al eens gevraagd, die het vast wel weet, omdat hij ouderling is, maar die is ook zoo dicht als een pot moet je rekenen en vreest ook zich aan koud water te branden." — „Och mensch het is zoo'n stel. Ik vroeg er Jan Koksma na, die ook orthodox geworden is zooals je weet, sinds zij hem die poets bij het spookhuis gebakken hebben, maar die wist op zijn manier ook niets." — „Wat komt die huishouding er anders weer mooi boven op niet? Kijk, daar gaat hij net. Een hooge boord om zoowaar! 'k Zeg maar, dat het een geluk is dat hij „geteekend" heeft". — „Wis en zeker, zooals die Murk Westra ook, maar dat die lui dan dadelijk zoo fijn worden met die geheelonthouderij, dat vind ik zoo vervelend." — „Pas op, uit den weg, daar komen Hein en Aag aan jagen! Die baas krijgt ook wind in de zweep". — „Zij is anders een flinke meid, vooral voor de kinders." — „Nu ja, maar zie nou zoo'n blouse eens, ik vraag maar, is dat nu dracht voor een die dient? En zie je wel dat zij den vos voor de tilbury hebben, waar Dekema verleden jaar nog een prijs meê haalde? Ik had er mijn harddraver niet aan gewaagd hoor! Onze Japik wou ook meê doen, maar de boer zei, „als je den ouden bruine hebben wilt, dan kan je die krijgen, maar het rijpaard sta ik voor de ringrijderij niet af. 't Is allemaal ongewoon op den weg met al die menschen en die muziek, en als de zaak er van door ging, was het beest onbruikbaar, 't Dier is zoo mak als een kip, maar je kunt het niet weten, en dan zaten je er meê." — „Nou en wat zei hij toen ?" — „Kan je begrijpen, dat was hem veels te min. Hein kreeg den vos en Sipke van Jonkershuizen kreeg den nieuwkoop, en dan wou hij er niet met zoo'n oud beest komen aanstrompelen." — „Zie je wel, daar ga je al heen. De lui oproerig maken, daar is het om te doen. Och mensch, ik zeg

altijd: gelukkig die niet met vreemd volk behoeft om te gaan"

Verder kon het gesprek niet gevoerd worden, want het volgend oogenblik verscheen het fanfarekorps, omstuwd en gevolgd door een groote menigte, welke zich nu verdeelen ging om getuige te zijn

Sluiten