Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maak ik mij hierover niets ongerust. Indien het 's Heeren wil is, dat de gemeente door diepe wegen geleid wordt, zoo hopen wij stil te zijn, maar indien hier wederom een predikant moet komen, die de waarheid naar de Schrift verkondigt, zoo zal niemand dit werk Gods kunnen beletten. Wat mij betreft, ik hoop als Kerkvoogd en als lidmaat der gemeente te doen wat ik voor God en menschen verantwoorden kan, de dingen verder aan hun beloop overlatende". —

„Ook ik had van jou niets anders verwacht, zegt Jongema, maar wil toch dit nog zeggen, dat hoewel wij in alles niet gelijk denken, ik toch dichter bij jou sta, dan bij vele anderen, die tot mijn partij behooren".

Daarna wordt nog eenigen tijd over tal van andere onderwerpen gesproken. Vrouw Smynia, wier blik telkens weer getrokken wordt naar het levensgroot portret van haar, die een jaar geleden hier nog meesteres was, maar in de kracht van het leven als een veldbloem werd weggerukt, kan niet nalaten in herinnering te brengen wat vroeger wel met elkaar beleefd is. Het doet Dekema goed, dat er zóó over haar gesproken wordt. Van dag tot dag gevoelt hij meer de leegte in zijn huis. Hij heeft nog niet ervaren dat de tijd alles verslijt. Soms kan het gevoel van eenzaamheid hem te machtig worden. Dan gaat hij maar het land in of naar het vee, doch hij krijgt daarmeê zijn vrouw niet terug. Gedurende haar leven heeft hij nooit zoo goed gezien, welk een edel karakter zij had. Dingen, waarvoor hij vroeger geen oog had, vallen hem nü telkens op, en gelijk het meestal met al de zegeningen gaat, wordt hij nü hun rijkdom gewaar, nu hij deze mist. Maar als dan soms hem de droefheid dreigt te overmannen, vindt hij altijd weer hier zijne sterkte en vertroosting, dat zij in vrede is heengegaan. En groote dankbaarheid doorstroomt zijn hart als hij gedenkt dat haar dood zijn leven werd, al ging het dan ook als door vuur. Wel is waar gaat het ook bij hem niet zonder struikelen, bovenal niet zonder aanvechtingen. Niet zelden gevoelt hij zich met zijn geloofsleven als in de branding. Soms komt de oude natuur wel weer eens boven, maar toch mag hij door de genade Gods zeggen, den weg des levens te bewandelen, die naar het onbedrieglijke Woord, uitloopt op eeuwige heerlijkheid. Deze zekerheid geeft aan zijn leven in gewone tijden die rust en kalmte, welke vaak door een ander niet begrepen wordt, maar waardoor toch wèl

Sluiten