Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijk geborgen, om morgen in de vroegte het eerst verwerkt te worden.

Ook de winkels zijn gesloten, gelijk de neergelaten gordijnen duidelijk te kennen geven. Jaren geleden meende Zwartenburg ter wille van enkele klanten, die des Zaterdags geen tijd zouden hebben hun overtollige haar bij hem te deponeeren, de zaak tot 9 uur te moeten openhouden, maar op verzoek van Ds. Veringa heeft hij eindelijk den moed gehad, met die gewoonte te breken. „Zondagsgeld gedijt niet", zegt hij nu, waarom dan ook reeds sinds lang, als de laatste klant op Zaterdagavond bediend is, de koperen scheerbekkens, welke buiten hangen, worden weggenomen, en voor het raam een bordje komt met „gesloten".

Alleen oude Tjamke kan de verzoeking niet weerstaan, de deur op een kier te houden, opdat de een of andere bengel zoo goed als ongemerkt haar kamertje kan binnen sluipen, om voor één cent apenootjes of zuurtjes te koopen tot schade voor het kerkezakje of de zondagsschoolbus. De diakenen, van wie zij haar woninkje heeft, hebben haar al eens gewezen op het verkeerde hiervan, maar Tjamke redeneert dat zij hare zoetigheden heeft om te verkoopen en het voor haar van de kleintjes komen moet.

Oude Bart heeft, door „Dikkie", die geheel zijn rechterhand wordt, dapper geholpen, gistermiddag het kerkpad schoon geharkt, de reeds vallende bladeren op een hoop vergaderend, om later weer voor bemesting te dienen. Hedenmorgen te zeven ure brandde in het groote vuurhok met wijden schouw reeds een lustig turfvuur, om de noodige kolen te krijgen voor hen, die straks bij de godsdienstoefening een warme stoof begeeren. Echter is dit getal dezen morgen niet groot. Vooreerst, omdat het nog niet erg koud is, maar dan ook, omdat slechts een klein getal kerkgangers verwacht wordt. Want gelijk wij reeds hoorden, preekt vanmorgen een modern ringpredikant, en dan zijn er meer ledige plaatsen dan toehoorders, 't Gaat Bart aan zijn oude hart als hij daaraan denkt.

Dat had hij niet gedacht nog eens te zullen beleven. Ds. Veringa en hij waren zoo eens geestes, beiden vergrijsd in den dienst des Heeren, beiden ingeleid in de diepten van 't verlossingsgeheim, en nu hoorde hij hier menigmaal een toespraak zonder geest, zonder pit en merg, omdat er geen plaats in was voor den Christus

Sluiten