Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om daar uit te razen tegen het dienstvolk, dat bezig is alles in orde te maken voor het vee, dat vandaag of morgen moet binnfen gehaald.

't Is een ellendige boel. Eigenlijk zijn er maar drie menschen meer in het geheele dorp die hem nog respecteeren: de gemeente-ontvanger Lolkema, de turfschipper en de oude smid. O ja, de kastelein uit de Jachtweide ook nog, maar natuurlijk om der wille van het smeer.

En dat een man als hij, die over zooveel beschikken kan. Hij zal toch zelf weten of hij een borrel wil drinken of niet? Hij betaalt het toch van zijn eigen en behoeft niemand naar de oogen te zien? Of ja, die vrouw Struik, met haar mond als een scheermes, die kan hem kwaad doen. Hij krijgt het gevoel als van iemand die merkt, dat de grond hem onder de voeten wegzinkt, zonder ergens houvast te kunnen vinden. Zelfs het personeel luistert ternauwernood naar zijne bevelen. De vorige week op een avond, toen hij laat thuis kwam, stonden de knecht en de meid om den hoek der schuur te gichelen, omdat hij tegen een hekpaal aanliep, 't Moet eens weêr gebeuren. Dan kunnen zij den bezem op den nek krijgen en gaat de heele zaak de laan uit, al zal hij dan ook tot het volgend jaar Mei moeten hunkeren zonder volk. D'r zijn toch ook nog wel losse arbeiders te krijgen, als je maar goed betalen wilt. En hij heeft geld. Daar ligt warempel het pas gekochte gareel met die prachtige nikkelen sleutels en sneeuwwitte leidsels voor oud vuil op den vloer.

„Wie heeft dat nu weer gebakken? Niet een van zelf. Wel neen ; alle dingen gebeuren hier altijd van zelf. Behalve het werk. Daar hebben jullui allen een broertje aan dood. Zeg, lummel van een jongen, veeg de schuur eens wat aan! 't Is één hooi, al hooi! Vlug wat, en anders hoepel je maar op, begrepen ?"

Daar kwam nog meer, wat echter niet noodig is te vertellen, omdat elk wel weet, welke taal de mond spreekt, als de ongeheiligde natuur

aan het woord is.

„De muts staat weer raar verkeerd", zeg de oudste knecht tot den arbeider, „we krijgen zeker nóg meer harden wind. Hij behoeft tegen mij evenwel niet veel praatjes meer te maken, dan poets ik hem .

„Wanneer staat de muts in den laatsten tijd hier wél recht", is het bescheid; „ik zal óók blij zijn, dat ik m'n tijd uitgediend heb. 'k Wou dat ik op „Heerema-State" komen kon".

Sluiten