Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brinio naast tante Let,

Gelder bij zijn jeugdig bruidje

half te gapen van de pret.

Henriet. Jacoba, Madzy

staan er enkel juist bijéén,

Als de trits der schoone zusters,

heilige Bevalügheên 1 'k Ving daar even onder 't woeien

menig toontje uit haar mond,

Waar ik «Bouwkunst'' en «Idyllen"

en «Legenden" uit verstond.... Nu schijnt alles rond te zwieren

en te draaien yoor mijn oog: «Morgen is mijn Dichter jarig!"

galmt het schaatrend naar omhoog Ieder, dien hij heeft gezongen,

zingt met opgewonden geest: «Morgen, morgen is hij jarig,

morgen viert hij vroolijk feest' «Bied hem wenschen en gezangen.

breng hem uit ons-aller naam «Odes, Hymnen" — Nog iets meer ook ?" —

O gij dwazen al te zaam!

Ik, ik zou uw Dichter zingen.

die alleen voor 't denkbeeld schrik . Hoel uw uitverkoren Zanger,

Saffo en Jacoba! ik?

Neen, voor Saffo's eigen luite,

waar 't een rijke zingensstof; In Jacoba's eigen tranen

vond haar Dichter slechts zijn lofl In het hemelzacht ontbloeien

van een reine, schoone ziel,

In den lof van Henriëtte,

die hem straks te beurte viel. Ik, vermeetle, zou het wagen

hem te zingen, in den naam

Van Vorstin en tiende Muze

Neen, ik buig voor zulk een faam I Ik, die zelf het luidste jubel

Morden viert mijn Dichter feest, Maar geen waardig lied kun vinden

in rniin armen dichtergeest.

Ik, die .... luister. wo!k een wanklank.

Sluiten