Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik dien de waarheid trouw, nü met een ronden lach,

Straks met een ernstig woord. — Dies, wat ik mag verlangen, Is dit: och oordeel niet Yoor 't amen van mijn zangen!

xxx.

't Was. hoorders. Sint-Niklaas. Ziet verder in het rond. De kindrtn hangen op de stoelen, langs den grond:

't Zijn één, twee, drie, vier, vijf, zes. zeven kinderkopjes. Nu, bij het minst gedruis, schier onder pijpendopjes Te vangen — dan weer, fluks bemoedigd door de taal Der lieve moeder, aan het woelen door de zaal: —

Zoodat een heer aan 't vuur al eens zijn »br" liet hooren, Maar nog tö goed schijnt om de kindervreugd te storen.

XXXI.

Vier lieve diertjes zijn van 't ridderlijke nest:

Eén manlijk oir, drie blonde dochtertjes; de rest Familie, neef en nicht, gewoon sinds vele jaren Dees dag hun vreugd aan die der riddertjes te paren.

Straks wordt er 1 traaf gestrooid, gegrabbeld en verrast: Wij grabblen meê ! niet waar ? Elk uwer is hier gast, En schoon gij moogljjk voor die kinderpret zult passen, Ik hoop u toch met een surprise te verrassen.

XXXII.

Een vriendlijk oogenpaar, vol reine moedervreugd,

Bespiedt de spanning van de feesteljjke jeugd;

't Is de eedle vrouw van 't huis, in alles onderscheiden Van onzen Ridder, want — zij heeft verstand voor beiden. Zij ziet de dwaaslieên van haar echtvriend met geduld,

Zij is in 't vrouwlijk hart van needrigheid vervuld.

In huis een trouwe zorg, knap, ordlijk, lief en handig, En voor de wereld schoon en geestig en verstandig.

XXXIII.

De Ridder voert in huis een despotieken toon:

Haar schepter is 't verstand, en zachtheid — haar geboön. Zóó geniaal weet zij met Manlief om te springen,

Dat zij nooit kibblen, nooit I en toch — de meeste dingen Ten slotte naar licur wil geschieden. Bij veel liefs Heeft zij iets deftigs en van avond iets pensiefs; Zoo tusschenbeide laat zij stil haar handwerk varen En blijft glimlachend op haar oudste dochter staren.

XXXIV.

Wat peinst de brave vrouw 7 Dat zult gij later zien : ^ 't Wordt tijd dat we onzen groet, der lieve dochter bi én, Die voor het theeservies juist, enz! 'k hoor schellen En ben genoodzaakt mijn verrukking uit te stellen Tot nader! 'k geef vooreerst het mooie meisjen op

Sluiten