Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xcv.

IDEALISME.

Doe ik mijn oogen toe, I Doch als ik ze open doe

Dan wil ik t wel gelooven; | Komt weer de Twijfel boven.

XCVI.

VOOR DE OPTIMISTEN.

Gij weet het groote nieuws, en, hoe door 't nieuwe licht Van Theologen, Eilozofen, Oekonomcn En andre Oomcn,

Nu eerlang hier op aard de Hemel wordt gesticht? — Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen I

't Duurt nog een groote veertien dagen.

XCVII.

WEEMOED EN 1I0PE.

Op den bodem van het leven,

In do diepte van het hart Rust de Weemoed

En de Smart;

Maar de Hope rijst er neven, ln 't geslingerd menschenhart.

Tusschen weemoed, strijd en hope

Vliedt het leven snel voorbij: Waakzaam, werkzaam

Wachten wij Dat het Raadsel zich ontknoope, Wat ons korte leven zij.

XCVIII.

E U I M.

La tristesse est dans le coeur, La gaité est dans 1'esprit.

1860.

Wat meent ge dat in weemoodsdroomen,

In rouwmisbaar, dat harten breekt, In treurgezangen, tranenstroomen, Het meest aer ziele droefheid spreekt

Daar is een glimlach, gul en goedig, Een lachje, geestig, schalk en fijn, En toch zoo grensloos diep weemoedig, Dat zuchten daarbij vroolijk zijn!

xcix.

DE PRACTICI.

Durf te leven ! kwel u niet Met te veel gedachten,

Werk uw werk en zing uw lied Onder blij verwachten I

Sluiten