Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die liaar z<M huivren doot ? »Ziek" — zegt ze — nea met htór zorgen i Hot lijkt ons armen niet, om ziek te zijn. 'tls waar,

Zij boeft er juist slechts twee, één moisje, één jongske... maar Ze in weduw, ze is alleen. — Op, buurvrouw!" — Taal noch teeken Van binnen. Maar die doodsche stilte schijnt te spreken Oeheimnisvol... «Mijn God, wat slaapt zij vast! — Op, op!" En ditmaal, onverwacht, bij Geerte's angstgeklop,

— Als werd ook 't zielloos stof door meelij soms bekropen, —

Viel de oude deur van-zelf, droefgeestig, langzaam open.

VL

Zij treedt het stulpjen in, 'tlantarentje in de hand;

De regen druipt door 't dak en zijpelt langs den wand Der kille kluis. Zij zoekt met angstig mededoogen In 't rond... daar in den hoek ligt voor haar starende oogen, Een schriklijk voorwerp, stijf, bewegingloos, half naakt....

Een lichaam, door den dood verwrongen en mismaakt....

Met lijk van haar die ze eens als wakkre moeder kende,

't Afzichtelijke spook der uitgeteerde ellende,

Wat daar van de armoe rost, na de aardsche worsteling!

Haar hand, haar magere arm, reeds blauw, loodkleurig, hing Ten bedde uit. Angst en schrik scheen om dien mond te zweven,

Half opgesperd, waarmee, bij 't scheiden van dit leven,

De geest dien stervenskreet geslaakt had, die omhoog In ae eeuwigheid weerklinkt.

Bij :tbed — nog onder 'toog Van 't moeder-lijk — lag daar heur tweetal, zusje en broeder,

In de eigen wieg, in rust, glimlachend.

De arme moeder,

Rij 'tnaadren van den dood, had — jongste teederheid! —

Haar mantel en haar dek op 'twiegjen uitgespreid,

Opdat, als doodskou haar de leden deed verstijven,

Haar kroost, zoo goed het kon, verzorgd mocht achterblijven.

VIL

In 'ttrillend wiegje, o zie, wat sluimeren ze zacht!

Hoe vredig aêmt hun borst, en 'tvrindlijk mondje lacht.

Het schijnt of niets uw rust kan storen, arme weezen!

Zelfs niet do jongste Dag. "Wat zou ook de onschuld vreezen T —

Steeds als een zondvloed plast de regen neer, en vlak Op 'thutjo blaast do wind. Staag druipt door 'tlekke dak Op 't voorhoofd van de doode een druppel, die bljjft hangen In 't oog, en, kille traan, straks neervloeit langs heur wangen.

Steeds als de alarmklok slaat de golfslag, 't Stomme lijk Droomt in de stilte van het somber schimmenrijk:

Sluiten