Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als dia een harden, harden plicht Maar noö verricht,

En dan eerst, de ziele van weemoed vervuld,

In 't boek van de toekomst vermeldt hij — uw schuld!

DE KUNSTENAAR EN ZIJN PUBLIEK.

De stomme vroeg den blinde:

Zaagt ge ook den harpenaar?

Zoo ge ergens hem ontmoette,

Verplicht me en zeg me waar?

lk-zelf geef juist zoo veel niet

Om harp- of citertoon,

Maar de oude moest eens spelen,

Kjjk, voor mijn dooven zoon.

De blinde sprak: ik zag hem

Een oogenbük goloên;

Mijn lamme knecht zal aanstonds

Hem zoeken; knaap, loep hoen!

Nu slaat, op 's meesters wenken,

De kreupele in den draf;

En holt, den harp'naar rocpeDd,

De straten op en af.

De kunst'naar is gevonden,

Hij komt en buigt en groet;

Geen armen had de stumper,

liij speelde met zijn voet.

Hij speelt: elk schijnt betooverd,

Do doove is enkel oor,

De blinde zet groote oogen,

De stomme zingt een koor.

De lamme springt van geestdrift

Omhoog met alle macht;

't Kunstlievende gezelschap .

Blijft saam, laat in den nacht,

En bg het afscheid nomen

Is, mot dos harp naars kunst,

't Publiek tot in de wolken,

Hg dronken van hun gunst!

(EÖf*EhT.)

Sluiten