Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De* beste Uestevaerg. avunkels onzer roem;

Mi op te frisschei) hij den held ren glans der bloem Van Hollands glorie, dio haar geur spreidt door de blaren Van 't oud geschiedboek en de jonge dichtersnaren 1

xxxrv.

O, groene martlaarspalm door de englen zelf gevlochten,

Teen Neerland tachtig jaar voor Waarheid had gevochten! O, Maurits, Vondel, held en zanger, gij, van God O, Fredrik-Hendriks eeuw' O, faam van 't Muierslot! Wat zangen, die men zong, wat strijden, die ze streden..Maar jammer, dat het al zoon poosjen is geleden I

XXXV.

Dit 's van mijn zwerversgeest weer een vervelend staaltjo Maar 'k heb intusschen, in mijn kunsteloos verhaaltje, 't Kwartier van spanning en verwachting aangevuld — Och, beste Hoorders, gij hebt tienmaal meer geduld,

Dan onze held, die lang zijn laatste had verloren,

En toont het door mij zoo geduldig aan te hoorenl

XXXVI.

Hoort gij de schelpen niet al kraken voor het Buiten?

Hoort gij daar ginder nog geen venster opensluiten?

En merkt gij hoe de maan zich met haar vollen lach Juist eventjes verschuilt? niet uit een kuisch ontzag,

Of uit diskretio, neen! om strakjes, zonder schroomen,

Om bij de ontknooping schalk en spottend weer te komen.

XXXVll.

De knaap had al van ver het licht in 't oog gekregen; Hoe zalig klopt zijn hart zijn blonde Mary'tegen!

Zij had zijn beê verhoord en in zijn trouw geloofd I Nooit schudde 't lokkig haar hem trotscher om het hoofd 1 Hij komt — zij wenkt — hij ziet een witten zakdoek wuiven... Hij gaat met paard en al het venster binnen stuiven....

XXXVIII.

Goddank, hij weet bij tijds zijn klepper in te toornen, De hoefslag lost zich op in 't ruischen van de boomen.

Hij stapt van 't paard, hij treedt voorzichtig, zachtjes, slim, ^ Tot aan 't balkon — de held berekent al den klim — 't ls nog zoo hoog niet — stil — hij lispelt: »o Charmante!"

— Nog is het katje grauw daar brult de Gouvernante!

xxxix.

Stort in, o marmer, gtort op mijn bedorven jonker!

\ er schuil u, zilvren maan, kwijn weg, o stargeflonker!

Verberg voor eeuwig in uw boezem, donkre nacht,

Zijn jammerlijk figuur, dat hij zoo schittrend dacht!...

Sluiten