Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat heeft die schrikkomeet voorspeld,

— Profeet van booze tijen —

Dien 'k op eon bezemstok vol vuur, Bloedrood, door 't zwerk zag rijën!

»Het onheilsteeken ging vervuld In Hastings schrikbre velden; Wij zagen daar in slijk en bloed De lijken onzer helden I

»Wij draaiden ze om, wij speurden ze Wij wroetten in de voren, (op, Maar vonden 't lijk van Harold niet.... Ach, alles is verloren!"

En do abt verzonk in diep gepeins

En prevelde gebeden;

Toen sprak hij eindlijk, als ontwaakt Uit droomen van !t verleden:

»Te Grendelfield in 't diepst van 't Woont, eenzaam en vergeten, (woud

Een vrouw, die Edith Zwanenhals, De Schoone, werd geheeten;

» Want Ediths hals was blank en slank,

Geliik de hals der zwanen; Uw koning Harold had haar lief, Met kussen, eeden, tranen.

»Hö had de jonge schoone lief,

Hg zwoer haar steun en trouwe; Toen — zestien jaren is 't geleên — Verliet hij de arme vrouwe....

lOp broeders! maakt u ijlings op,

Naar Ediths schaamle woning, Do blik dier vrouw herkent in 't veld Het lijk van Erflands koning.

ïDe abdij van Waltham wï dien schat

Mot dankbre liefde ontvangen. Hier wacht den held een Cliristljjk Een zielmis en gezangen." (graf

En 's middernachts voor dearmekiais Klonk reeds de stem dor boden:

«Ontwaak, o Edith Zwanenhals En volg ons naar de dooden.

»Der Noren Hertog zegeviert, En. met zijn honderdtallen Van helden 'is, in llasting'e slag, Ook Englands vorst gevallen.

»Volg ons naar Hastings, volg om't Van Harold op te sporen. (lijk Dat wij 't in Waltliams heilige aard Begraven naar behooren."

Geon woord sprak Edith Zwanenhals

En volgde zwijgend. Over Haar slanken hals golft grijzend haar: Do nachtwind Üuit door t lover.

Zij volgde barvoets, de arme vrouw,

Door poel en woud en hagen; Het krijtgebergt van Hastings rijst Van ver bij 't uchtcnddagen.

De damp—een witte lijkwaê—dio

Het veld had overtogen,

Trekt op. De kille najaarszon Stijgt somber aan (ion hoogen.

Naakt, uitgeplunderd, balf ont(vleescht,

Bij stapels en hij dijken.

Ligt daar op aard een duizondtal Misvormde menschenlijken.

De grond was als met bloed doorDe riffen van de paarden (weekt; Bedekken 't gruwlijk moordtooneol, De splinters van de zwaarden.

En 't raafgebroed vloog fladdrend op,

Dat zich aan 't aas vergastte, Als barvoets Edith Zwanenhals Door 't zij plend bloedbad plaste.

Zij klauterde ovor lijken heen;

Als gloênde pjjlen vlogen Do blikken vorschend, vreeslijk ver, Van uit heur puilende oogen.

Sluiten