Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water gelegd en nogmaals zooveel gewicht op de rechterschaal geplaatst tol de balans inspeelt; dit zij 7.060 gram. Nu is dus blijkbaar 7.060 — 4.803 = 2.257 gram het gewicht van het door den steen verplaatste water, en hel specifiek gewicht is dus

= 2.65

2.257

wal precies overeenkomt met bergkristal.

Nog wat eenvoudiger is de soortelijk-gewichtshepaling met de zoogenoemde Westphal'sche balans, doch ook hier zijn allijd nog twee wegingen noodig en het is duidelijk dat het resultaat onnauwkeuriger wordt naarmate men kleinere sleenen ter onderzoek krijgt, een geval waarin men bij edelgesteenten nog al dikwijls kan verkeeren. Het is dan veel eenvoudiger een andere methode te volgen, die ook op het verschil in soortelijk gewicht berust, maar hel voordeel heeft op sleenen van allerlei grootte, ook de allerkleinste, toegepast te kunnen worden. Wij bedoelen de methode der zware vloeistoffen.

Het Joodmelhyleen is een vloeistof, met bij gewone temperatuur een Sp. Gew. van ruim 3.3; zij is lichtgeel en zeer bewegelijk en kan met Benzol (Sp. Gew. = 0.88) in alle verhoudingen verdund worden. Daarenboven kan men van gewone joodmelhyleen door oplossen er in van jodium en jodoform een vloeistof maken van 5.6 Spec. Gewicht, die echter de minder aangename eigenschap bezit van zeer donker gekleurd te zijn.

Praktisch is het voldoende drie zulke oplossingen voorradig te hebben nl. een van Sp. Gew. = 5.6 (vloeistof III), een van Sp. Gew. = 5.0 (vloeistof II) en een van Sp. Gew. = 2.60 (vloeistof I); soms neemt men er nog een vierde bij met Sp. Gew. = 5.50 (vloeistof IIa). Hierdoor worden dan drie groole groepen begrensd, die het zeer dikwijls reeds mogelijk maken vervalschingen te herkennen.

Een steen, lot groep I behoorende, ziukt dus in vloeistof I en drijft in vloeistof II en III; een sleen lot groep II behoorende, zinkt in vloeistof I en II en drijft in vloeistof III; de sleenen van groep III zinken in alle vloeistoflen.

Ter onderlinge onderscheiding der sleenen van groep III dient dan hetzij een zuivere bepaling van hel soortelijk gewicht als boven is aangegeven, hetzij een hardheidsbepaling, hetzij het verschijnsel der veelkleurigheid (polychroïsme). Dit laatste is de eigenschap van een aantal der niet te licht gekleurde doorzichtige mineralen om verschillend gekleurd te schijnen al naar men er in verschillende richtingen doorheen ziel. Mineralen of sleenen die amorf zijn (glas, opaal) of tot het regulaire krist'alsleisel behooren (granaat, spinel, diamant) kunnen dit verschijnsel niet verloonen. Soms ziet men slechts lichter en donkerder

MINERALOGIE EN GEOLOGIE. ®

Sluiten